Nieuwsbrief november 2015

Nieuwsbrief NOVEMBER 2015

bureau-kennis-nieuwsbrief

  • Actuele, relevante en opvallende ontwikkelingen in de bestuursrechtspraak;
  • Windturbines en het Omgevingsrecht;
  • De geesten van de Omgevingswet;
  • Wietkwekerij in een huurwoning: hoe handhaaf je met bestuursrecht?

Actuele, relevante en opvallende ontwikkelingen in de bestuursrechtspraak.

Is uw (ambtelijk) leven u nog lief? Wilt u een feestelijke dag bijwonen? U hebt nu de kans!!!

Op het domein van het gemeentelijk omgevingsen vergunningenrecht wordt dagelijks intensief omgegaan met de belangen van aanvragers en andere belanghebbenden. Bewust (soms onbewust) wordt daarbij toepassing gegeven aan het Algemeen bestuursrecht, de Wet ruimtelijke ordening, de Wabo, de APV en andere wetten.

Typerend voor dit domein is dat belangen niet zelden tegenstrijdig zijn, dat er onenigheid ontstaat en de gang naar de (bestuurs)rechter wordt gemaakt. Deze, op zijn beurt, toetst of het bestreden besluit al dan niet in strijd is met wetgeving, rechtspraak of algemene rechtsbeginselen. Afgelopen periode is de kentering van een objectieve naar een subjectieve benadering van een aan de bestuursrechter voorgelegd geschil te zien geweest. Met name geconcretiseerd in de artikelen 6:22 en 8:69a Awb. Meer dan ooit zal een belang dat een appellant in zijn beroepschrift als onderbouwing van zijn beroep naar voren brengt moeten worden beschermd door de wettelijke bepaling waarvan wordt geclaimd dat deze door het bestuursorgaan is geschonden. Wordt hieraan niet voldaan, dan kan het beroep niet gegrond worden verklaard. Het belang dat de appellant in zijn beroepschrift naar voren brengt moet daarnaast ook zijn benadeeld. Dat hoeft niet eens te worden bewezen, voldoende is dat het aannemelijk is dat het is benadeeld. Dit alles heeft ertoe geleid dat aanzienlijk minder vaak een beroep of bezwaar gegrond wordt verklaard.

Een gemeenteraad is in de eerste plaats een politiek orgaan. De besluitvorming voltrekt zich in een politieke setting. Maar op gezette tijden is dit gezelschap “bestuursorgaan”, en zit het vast aan de normen voor het nemen van een besluit die voor elk bestuursorgaan gelden: de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Met name gaat het hierbij om het zorgvuldigheidsbeginsel, het beginsel dat alle relevante belangen (zicht- en kenbaar) worden afgewogen, en het beginsel dat een besluit deugdelijk wordt gemotiveerd. In de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak komt het met regelmaat voor dat een beroep tegen een besluit inzake de vaststelling van een bestemmingsplan of met betrekking tot een verklaring van geen bedenkingen gegrond wordt verklaard vanwege het feit dat één of meer van deze beginselen niet goed zijn nageleefd. De Afdeling heeft er nauwelijks een boodschap aan dat de gemeenteraad een politiek orgaan is. Dit wordt onvoldoende beseft binnen een gemeenteraad, en kan zo’n raad (letterlijk) duur komen te staan. Dit vanwege het bepaalde in artikel 8:88 lid 1 aanhef en sub a. waarin een onrechtmatig besluit als basis voor een veroordeling tot het betalen van schadevergoeding wordt aangemerkt. Een gegrondverklaring van een beroep door de bestuursrechter betekent automatisch dat het besluit onrechtmatig is.

2015-11-001

Regelmatig komt bij de bestuursrechter de vraag aan de orde of een bestemmingsplan wel tijdig is vastgesteld en zo, neen, wat daarvan het gevolg is evenals de gevolgen van misbruik van de Wet openbaarheid van bestuur. Ook beroep tegen een last onder dwangsom of bestuursdwang en de hoogte en de invordering van de verbeurde dwangsom of de gemaakte kosten van bestuursdwang vormen vaak het decor bij de bestuursrechter. Onzekerheid over een goede afloop is regelmatig het geval.

Daarnaast zijn er ook andere relevante ontwikkelingen te bespeuren, zoals de toepassing van het Bouwbesluit op bestaande en nieuwe drijvende bouwwerken (woonboten) en straks de toepassing van de Wet kwaliteitsborging. Heeft dat straks wat met de Omgevingswet te maken? Wie heeft er intussen al nachtenlang niet geslapen van het woonplaatsvereiste van burgemeesters en wethouders en de materie van de strafrechtelijke immuniteit voor provincie- en gemeenteambtenaren? Als daarna dan ook nog de Ladder voor duurzame verstedelijking bestegen moet worden voordat een ruimtelijk besluit uiteindelijk de eindstreep kan passeren, dan ontbreekt bij velen nog langer de moed om over te gaan tot het opstellen van een gemeentelijke verordening. Dit temeer als blijkt dat daarover zeker 100 ideeën bestaan.

Iedereen is voorstander van duurzame energieopwekking, maar waarom houden we ons liever bezig met de parkeernormen dan met de het realiseren van windparken en plaatsen van windturbines? Zit het ‘m dat in het weinige vertrouwen in de overheid, terwijl we toch overladen worden met toezeggingen en het vertrouwensbeginsel? Als dan ook de rechter opgelegde verkeersboetes te hoog acht en een andere rechter de hoogte van de legeskosten disproportioneel vindt, is er dan een echte reden om feest te vieren of laten we dan de moed zakken en heeft het (ambtelijk) leven dan nog zin?

Tijdens de geplande studiedagen komen de hierboven genoemde – vooral bestuursrechtelijke – aspecten uit de dagelijkse praktijk aan de orde. Daarvoor zorgen de docenten Olaf Schuwer en Jan Ariës. Voor hen is het dagelijks leven telkens een feestdag en zij willen u ook hiervan graag laten meegenieten. Aan de orde komen in ieder geval zaken/leerstukken/aspecten als:

  • Wat leert ons de diverse aspecten van de zaak van de monstertruck van Haaksbergen?
  • Hoe zit het toch met schadevergoeding en nadeelcompensatie?
  • Hoe moeten we omgaan met een verbeurde dwangsom en de invordering daarvan?
  • Weet u nog wie er anno 2015 nog als belanghebbende moet worden aangemerkt?
  • Hoe komen we af van het misbruik van de Wet Openbaarheid van bestuur?
  • Wie zorgt er voor de motivering van een besluit van de gemeenteraad?
  • Wat weet u van de strafrechtelijke immuniteit?
  • Hoe vaak hebt u de Ladder voor de duurzame verstedelijking al met succes beklommen?
  • Waaraan te denken bij het opstellen van een gemeentelijke verordening?
  • Wat speelt er allemaal om te komen tot de realisering van windturbines en windparken?
  • Weet u nog wat er nodig is om te komen tot parkeernormen?
  • Is er toch nog hoop om de overheid te vertrouwen of dwingt de rechter daarvoor wel door middel van de beoordeling van de hoogte van boetes en leges?

Windturbines en het Omgevingsrecht

Op 9 oktober 2015 verscheen de Nationale Energieverkenning (NEV), uit de NEV blijkt dat Nederland niet zal gaan voldoen aan de Europese norm om in 2020 14% van de energievraag uit hernieuwbare energiebronnen te halen. Vanuit het Energieakkoord zijn prestatieafspraken met provincies gemaakt voor de realisatie van windturbineparken. Om toch aan de norm van 14% in 2020 te voldoen zal Minister Kamp de Provincies aan de gemaakte prestatieafspraken houden. Dit betekent dat provincies, maar ook gemeente, hard aan de slag zullen moeten om de prestatieafspraken daadwerkelijk te realiseren. Mede om ook te voorkomen dat de Minister ingrijpt en de bevoegdheid om windparken te realiseren naar zich toe trekt. De provincie Fryslan heeft gemerkt dat de minister daar niet voor terugdeinst.

Naast het draagvlak worden vaak de planologische procedures als sta in de weg gezien. Hoewel de Elektriciteitswet (E-wet) daar duidelijkheid, en versnelling, in had moeten brengen wordt deze wet nog vaak als warrig en onleesbaar ervaren. Met name het feit dat de regelingen voor het Rijk afwijken van die van Provincies maken de E-wet lastig toepasbaar. Daarnaast is niet duidelijk in hoeverre Provincies vergunningenbevoegdheden kunnen delegeren aan gemeenten. Als vreemde eend in de bijt bevat de E-wet nog de mogelijkheid om de Belemmeringenwet Privaatrecht in te zetten.

Omgevingsrechtelijke aspecten zijn verder externe veiligheid, geluidhinder, vliegveiligheid en radarzonering. Verder zijn er nog twee wetgevingstrajecten die van invloed kunnen zijn op de realisatie van windenergie: de Omgevingswet en de Gas- en Elektriciteitswet.

2015-11-005

Bovenstaande maakt dat provincies en gemeenten hard aan de slag moeten om de doelstellingen uit het NEV te halen. Tijdens de hierover georganiseerde studiemiddag zal het instrumentarium voor de realisatie van windturbines op begrijpelijke wijze in beeld worden gebracht. Op de volgende onderwerpen zal worden ingegaan:

  • De Structuurvisie Wind op Land (SWOL);
  • De Rijkscoördinatieregeling op grond van artikel 9b van de Elektriciteitswet;
  • Het Uitvoeringsbesluit rijkscoördinatieregeling energie-infrastructuurprojecten;
  • Het Provinciale inpassingsplan op grond van artikel 9e van de Elektriciteitswet;
  • De Provinciale Coördinatieregeling op grond van artikel 9f van de Elektriciteitswet met de daarbij behorende delegatiebevoegdheden;
  • Toepassing van de Belemmeringenwet Privaatrecht;
  •  Externe veiligheid, geluidhinder, vliegveiligheid en radarzonering;
  • Gas- en Elektriciteitswet en de Omgevingswet.

Op 9 oktober 2015 verscheen de Nationale Energieverkenning (NEV), uit de NEV blijkt dat Nederland niet zal gaan voldoen aan de Europese norm om in 2020 14% van de energievraag uit hernieuwbare energiebronnen te halen. Vanuit het Energieakkoord zijn prestatieafspraken met provincies gemaakt voor de realisatie van windturbineparken. Om toch aan de norm van 14% in 2020 te voldoen zal Minister Kamp de Provincies aan de gemaakte prestatieafspraken houden. Dit maakt dat provincies en gemeenten hard aan de slag moeten om de doelstellingen uit het NEV te halen. Tijdens de door ons georganiseerde studiemiddag zal het volledige instrumentarium voor de realisatie van windturbines op begrijpelijke wijze in beeld worden gebracht.

De geesten van de Omgevingswet

Op dit moment heeft ieder thema zijn eigen wetgeving. De kwaliteit van de bodem, het produceren van geluid, bouwen, het gebruiken van gronden en opstallen voor allerlei zaken, asbest: overal is aparte wetgeving voor met alle nadelen van dien. De Omgevingswet wil dit veranderen en gaat veel wetgeving vervangen. Gestart onder het motto “Eenvoudig Beter’ is de wet inmiddels door de Tweede Kamer aangenomen. Dat ging gepaard met circa 1500 pagina’s tekst. De wet geeft vooral aan waar verantwoordelijkheden liggen, hoe taken en bevoegdheden zijn verdeeld en met welke procedures we in de toekomst te maken zullen krijgen. De 4 AMvB’s die meer inhoudelijk op verschillende thema’s ingaan, komen in 2016 aan de beurt.

De ‘geest van de wet’ ligt deels vast in die (omvangrijke) parlementaire stukken in de vorm van zogenaamde ‘verbeterdoelen’. De inzichtelijkheid, voorspelbaarheid en het gebruiksgemak van de wetgeving moet vergroot worden. Een samenhangende benadering in beleid, besluiten en regels wordt bevorderd.

Nodig is meer bestuurlijke afwegingsruimte en snellere en betere besluitvorming en procedures. Deze verbeterdoelen zijn uitgebreid beschreven en moeten zijn bereikt als de wet in werking treedt.

Belangrijk voor de ‘geest van de wet’ is verder artikel 1.3 Omgevingswet. Hierin zijn de maatschappelijke doelen opgenomen. De tekst luidt als volgt: ‘Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, gericht op het in onderlinge samenhang:

nieuwsbrief-april-2016-009

a) bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en

b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke functies

Het is een knappe formulering, want zo ongeveer alles zit erin. Onderdeel a. ziet toe op de opdracht tot het waarborgen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Onderdeel b. ziet toe op het benutten van de fysieke leefomgeving door de mens. Dit onderdeel geeft bovendien aan dat ontwikkelen, gebruiken en beheren in samenhang moeten worden bezien. In de aanhef staan twee algemene eisen die de verbinding leggen tussen de beide doelen. Toepassing van de wet moet plaatsvinden met het oog op duurzame ontwikkeling: ‘een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen’. Deze definitie – opgenomen in art. 1.1

Omgevingswet – is ontleend aan het rapport Our Common Future van de commissie Brundtland. De tweede eis is dat er aandacht moet zijn voor de onderlinge samenhang. De onderlinge verhoudingen tussen onderdelen van de fysieke leefomgeving en/of de gevolgen van activiteiten daarvoor moeten tot hun recht komen. Dit sluit aan op het tweede motto van de wet: «ruimte voor ontwikkeling, waarborgen voor kwaliteit».

Het artikel richt zich tot bedrijven, burgers en bestuursorganen. Voor zover er geen nadere, meer expliciete kaders zijn gegeven, is dit het kader waar zij vanuit moeten gaan. Het artikel is de opvolger van begrippen als ‘goede RO’ en ‘bescherming van het milieu’, waaromheen de huidige jurisprudentie is gebouwd. De maatschappelijke doelen moeten in acht worden genomen bij alle besluiten, oplossingen en belangenafwegingen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Daarbij moet de balans worden gevonden met duurzame ontwikkeling en dat vraagt om maatwerk en een actieve, resultaatsgerichte houding van alle partijen.

Achter de Omgevingswet zit dus een enorme ambitie. Volgens de memorie van Toelichting is de wet pas geslaagd als alle actoren in de fysieke leefomgeving met oog voor elkaars rol en belang zoveel mogelijk in samenspraak tot voorstellen en afwegingen komen over de bescherming en ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Daarvoor is een paradigmawisseling, een andere bestuurlijke en uitvoeringscultuur nodig met meer kwaliteit van de uitvoering. De wetgeving is daarbij ‘slechts’ ondersteunend. Om niet te blijven hangen in de huidige aanpak wordt expliciet een breuk met de bestaande jurisprudentie en werkwijzen beoogd. We starten als het ware opnieuw.

Ik hoor in de praktijk, met name binnen de overheid vaak dat ‘men al lang zo werkt’ en dat de wet niet zo nieuw is: hooguit een uitbouw van de huidige Wro/Wabo. Excuses om zich nog niet in te verdiepen zijn dat ‘het in 2018 nog tijd genoeg is om eraan te beginnen’ of dat bepaalde personen het voor de hele organisatie wel in beeld zullen brengen. Ik denk dat deze mensen de impact van de geest van de Omgevingswet erg onderschatten. Temeer omdat deze heel duidelijk een vertaling is van de huidige tijdgeest: burgers en bedrijven denken en handelen al in de geest van die wet en snakken naar een overheid die daarin meegaat.

De Omgevingswet gaat heel veel gevolgen hebben: niet alleen inhoudelijk en juridisch, maar vooral ook organisatorisch en emotioneel. We gaan bovendien een lange periode van onzekerheid tegemoet zonder vaste jurisprudentie, waardoor niemand precies weet hoe het zit terwijl er volop keuzevrijheid is.

Tijdens onze studiemiddag: ‘De geesten van de Omgevingswet’ gaan we in op alle veranderingen. Behandeld worden het proces van de stelselherziening, de nieuwe instrumenten, maar vooral ook de vraag: wat doet dit met u en hoe gaat u hiermee om? U gaat naar huis met tips en een boodschap. Die is duidelijk: Wacht niet af, want anders kon de geest van de wet wel eens een spook blijken te zijn!

Wietkwekerij in een huurwoning: hoe handhaaf je met bestuursrecht?

Een wietkwekerij in een huurwoning kan worden aangepakt via het strafrecht, het civiele recht maar ook via het bestuursrecht. Via het strafrecht door het Openbaar Ministerie (overtreding van de Opiumwet). Via het civiele recht door de corporatie (de huurder houdt zich niet aan het bepaalde in de huurovereenkomst en het Burgerlijk Wetboek). En ten slotte via het bestuursrecht door de gemeente (overtreding van art. 1b van de Woningwet en het Bouwbesluit 2012). De eerste twee methodes zijn min of meer algemeen bekend; de bestuursrechtelijke methode is dat veel minder. En dat terwijl de bestuursrechtelijke weg een volwaardig alternatief vormt voor de strafrechtelijke of de civiele weg.

Zo kunnen de kosten die gemoeid zijn met strafrechtelijk optreden niet worden verhaald op een al dan niet veroordeelde verdachte maar komen deze voor rekening van de gemeenschap. Anders ligt het in het bestuursrecht. De kosten voor handhavend optreden kunnen dan wel worden verhaald, namelijk op de overtreder. De vraag ligt dan voor wie als overtreder moet worden aangemerkt. Is dat de huurder of is dat de verhuurder?

2015-11-011

Diverse rechtsvragen dringen zich nu op. Zoals bijvoorbeeld: wie mag, na het aantreffen van een wietkwekerij, worden aangemerkt als overtreder? Is dat de huurder of is dat misschien de verhuurder? Maakt het daarbij nog verschil of het gaat om een particuliere of een bedrijfsmatige verhuurder? Een andere vraag is, of zowel tegen de huurder als de verhuurder handhavend mag worden opgetreden? Voorts ligt de vraag voor: op wie kunnen alle kosten worden verhaald? En welke kosten dan? Maar ook: welke toezicht- en handhavingsmiddelen worden ingezet? Ook nadat een wietkwekerij is ontmanteld?

mr. Cyril Jungerman gaat met u al deze (en andere!) rechtsvragen bij langs in een aansprekende en wel doortimmerde cursus waarbij ook recente jurisprudentie aan de orde komt. Cyril heeft jarenlange (proces)ervaring in het bijstaan van gemeenten die voortvarend gebruikmaken van hun bevoegdheden om handhavend op te treden.