Nieuwsbrief juni 2016

Nieuwsbrief JUNI 2016

bureau-kennis-nieuwsbrief

  • Bestemmingsplan anno 2016;
  • Samenwerken in overheidsland;
  •  Juridische kwaliteit bereiken met efficiënt werken;
  • Actualiteiten Kruimelgevallenlijst artikel 4 bijlage II Bor;
  • Wetsvoorstel Kwaliteitsborging voor het Bouwen;
  • Openbaarheid en geheimhouding in het openbaar bestuur door prof. D.J. Elzinga.

Blijf bij de tijd… ken het huidige bestemmingsplan 2016, want het blijft nog jaren van groot belang…

Het is een feit dat de Omgevingswet veel gevolgen zal hebben voor gemeenten, maar het is eveneens een (bijna zeker) feit dat de Omgevingswet met de 4 bijbehorende algemene maatregelen van bestuur, diverse ministeriele regelingen en ook nog de Invoerings-en Overgangswet niet voor 2020 de eindstreep zullen bereiken. Uit onverdachte hoek wordt zelfs 2022 of later al gefluisterd. Vaststaat dat de rollen van gemeenten en de samenleving zullen veranderen… een ware cultuurverandering, integraal werken en een bredere afwegings-en gebruiksruimte in het Omgevingsplan. Het omgevingsplan is voor de toekomst een belangrijk instrument in de Omgevingswet. Het komt in de plaats van het huidige bestemmingsplan en allerlei verordeningen

De Omgevingswet heeft als doel een gezonde fysieke leefomgeving in stand te houden en te bereiken en daarnaast nog doelmatig beheer en gebruik van die fysieke leefomgeving voor de vele maatschappelijke functies te realiseren. Dat wil het huidige bestemmingsplan ook! Natuurlijk heeft de Omgevingswet ook nog andere ambities. Daarvoor zijn echter nog vele niet te onderschatten stappen en vele jaren nodig!

Gemeenten moeten zeker niet afwachten c.q. stil zitten totdat de (juridische kaders van de) Omgevingswet in werking treden, maar burgers kunnen en willen anno 2016 niet wachten wanneer zij initiatieven hebben: zij willen “morgen” aan de slag en dan is alles met betrekking tot het bestemmingsplan nog steeds van groot belang.

Dit alles betekent dat de huidige Wet ruimtelijke ordening van 2008 (eigenlijk van 1960/1965) nog steeds een vrij groot aantal jaren van toepassing zal zijn. Met andere woorden: gemeenten zullen toch nog diverse jaren met het “bestemmingsplan” moeten blijven werken… de huidige bestemmingsplannen blijven de basis voor de komende omgevingsplannen, maar het instrument omgevingsplan heeft een volstrekt andere inhoud en is qua afwegings-en gebruiksruimte veel breder dan alleen “een goede ruimtelijke ordening”.

nieuwsbrief-juni-2016-001

Het “bestemmingsplan anno 2016” is bijna al niet meer te vergelijken met de inhoud van de eerdere bestemmingsplannen. Als je de uitspraken van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State leest en bestudeert, moet je constateren dat de Afdeling met steeds andere en complexe (beroeps)gronden te maken krijgt. Het is dus zaak “bij de tijd” te blijven en “met beide voeten op de grond te blijven staan”, zodat er de komende jaren geen (juridische) ongelukken gebeuren bij het opstellen van bestemmingsplannen, het behandelen van zienswijzen en beroepsgronden en de uitvoering ervan.

Tijdens de twee gekoppelde studiemiddagen is het de bedoeling aan de hand van een aantal recente en actuele uitspraken over bestemmingsplannen in te gaan op een aantal aspecten/onderwerpen op basis van de Wet ruimtelijke ordening en daarbij handvaten aan te reiken om “toekomstbestendig te zijn” voor de nog resterende periode van het “oude” bestemmingsplan. Tevens zal aan de hand van een casus worden ingegaan op de vele aspecten van het huidige bestemmingsplan.

Samenwerken in overheidsland

Gemeenten, provincies, waterschappen en andere overheidsorganisaties werken op veel manieren samen. Zowel onderling als met bedrijven, instellingen en maatschappelijke organisaties. Tal van opgaven vragen om een gezamenlijke aanpak. Of het nu gaat om stedelijke vernieuwing, natuurontwikkeling of in het sociale domein. Onder de noemer van co-creatie en partnerschap ontstaan allerlei samenwerkingsverbanden. Maar welke samenwerkingsvormen zijn er eigenlijk? Welke juridische spelregels gelden er? En wat is de juiste samenwerkingsvorm voor mijn opgave? Hoe maak ik de juiste keuze?

Wij organiseren studiemiddagen over dit thema met als inleider mr. drs. Maarten Eurlings, die als advocaat overheden en private partijen adviseert over de organisatie van samenwerking door en met overheidsorganisaties.

Na deze studiemiddag:

  • Kent u de wettelijke mogelijkheden voor publiek-publieke samenwerking op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen;
  •  Weet u wanneer u wel of juist niet moet kiezen voor rechtspersoonlijkheid van uw samenwerkingsverband;
  • Weet u wat de overeenkomsten en verschillen zijn tussen publiek-publieke en publiekprivate samenwerking;
  • Kunt u uw bestuurder goed voorlichten over de zeggenschap binnen de samenwerking en de verantwoording die daarover moet worden afgelegd;
  • Kent u de mogelijkheden en grenzen van de contractsvrijheid bij samenwerking;
  • Heeft u een overzicht van de belangrijkste criteria om tot een samenwerkingsvorm te komen;
  • Weet u over welke onderwerpen u bij samenwerking ten minste afspraken zou moeten maken.

Juridische kwaliteit bereiken met efficiënt werken

Wat zijn de actuele uitgangspunten van goed juridisch kwaliteitsbeheer en hoe kunnen die praktisch worden toegepast binnen het takenpakket van overheidsmedewerkers? Wat Nieuwsbrief juni 2016 www.bureau-kennis.net staat er heden ten dage op de juridische kwaliteitsagenda? Waar haal je de tijd vandaan om die agenda ook werkelijk uit te voeren?

De door ons georganiseerde cursus gaat over een effectieve manier van werken met kwaliteitsbeheer. Juridische kwaliteit is een blijvend aandachtspunt, ook omdat de overheid voortdurend in beweging is, onder andere door de samenwerking met andere organisaties.

1852433_stock-photo-quality-control-concept

Tijdens deze cursus worden diverse vaardigheden aangereikt om efficiënt te werken binnen het takenpakket van de beleidsmedewerker of (centraal) jurist. Daarnaast worden methodieken en handvatten aangereikt om effectief de juridische kwaliteit te verhogen. Door de praktische invalshoek is de opgedane kennis meteen toepasbaar.

Bij traditionele methodes voor juridisch kwaliteitsbeheer is een groot draagvlak nodig onder medewerkers, managers en bestuurders. Dat is lastig om te realiseren en vraagt veel van de persoonlijke vaardigheden van de beleidsmedewerker of jurist. Ook is bekend dat serieus aandacht besteden aan kwaliteit al snel veel tijd en geld kost.

Doordat de beleidsmedewerker of jurist naast kwaliteitsbeheer ook diverse andere taken heeft, raakt het onderwerp in de praktijk al snel ondergesneeuwd tussen andere prioriteiten zoals het beheren van de mailbox, ad hoc advisering, termijnbewaking en het blussen van

spreekwoordelijke brandjes. Om voldoende aan kwaliteitsbeheer toe te komen, is het dus nodig dat het gehele takenpakket efficiënt uitgeoefend kan worden, zodat er voor kwaliteitsbeheer meer tijd overblijft.

De cursus gaat van start met het bespreken van diverse elementen en knelpunten uit de taakomschrijving van beleidsmedewerkers en juristen die ook met het onderwerp juridische kwaliteit zijn belast. Tijdens de cursus wordt aandacht besteed aan timemanagement en mondelinge adviesvaardigheden voor zover dit aansluit bij de behoefte van de deelnemers en past binnen de kaders van de cursus. Ook wordt aandacht besteed aan het creëren van draagvlak en het effectief communiceren met collega’s, management en bestuur. Tips worden aangereikt waarmee juridische kwaliteit blijvend onder de aandacht kan worden gebracht voor – en door medewerkers. De grondbeginselen en methodieken voor juridische kwaliteitszorg mogen vervolgens niet ontbreken en passeren de revue. Daarbij wordt de praktische uitvoering ook tot op detailniveau behandeld. Bij het bovenstaande ligt de nadruk op vormen van risicosignalering en onderzoek naar kwaliteit die in de praktijk de grootste kans hebben op een succesvolle uitvoering in de organisatie. Het beheren van juridische kwaliteit wordt tijdens de cursus vanuit diverse praktijkvoorbeelden en formats behandeld, zowel vanuit de beroepsmatige ervaring van de docent als daarbuiten. Tijdens de cursus is ruime gelegenheid tot het stellen van vragen en het uitwisselen van praktijkervaringen. De cursus gaat niet inhoudelijk in op lokale of landelijke regelgeving, zoals de inhoud van de APV of Awb.

Actualiteiten Kruimelgevallenlijst artikel 4 bijlage II Bor

Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht staat niet alleen bekend om de regeling voor vergunningvrij bouwen, maar ook om de zogenaamde “Kruimelgevallenlijst” uit artikel 4. Deze lijst wordt in de praktijk door gemeenten zeer vaak toegepast om afwijkingen van een bestemmingsplan relatief eenvoudig toe te kunnen staan. De wetgever heeft de Kruimelgevallenlijst in de afgelopen jaren meerdere malen gewijzigd en uitgebreid, om deze nog beter te laten aansluiten op de wensen uit de praktijk. Tijdens de hierover georganiseerde cursus zullen de wijzigingen van 1 november 2014 en 9 september 2015 nader worden besproken.

logo-kruimels

Aangezien de kruimelgevallenlijst zeer vaak wordt toegepast, is er inmiddels een groot aantal uitspraken voorhanden waarin de toepassing en uitleg van de kruimelgevallenlijst wordt verduidelijkt. Zo zijn er recent uitspraken gedaan over het combineren van een gebruikswijziging met de uitbreiding van een bestaand pand en over de uitzondering uit artikel 5 voor activiteiten zoals genoemd in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. De belangrijkste uitspraken zullen uitgebreid aan de orde komen, waarbij er uiteraard ook ruimte is voor eigen inbreng vanuit de cursisten.

Onderwerpen die aan de orde komen:

  • Belangrijkste wijzigingen van de Kruimelgevallenlijst;
  • Recente jurisprudentie;
  • Bijzondere procedurele aspecten;
  • Combineren van de verschillende onderdelen/activiteiten uit artikel 4;
  • Verhouding tot overige wettelijke afwijkingsinstrumenten;
  • Uitzonderingen uit artikel 5, o.a. toename aantal woningen en MER;

Wetsvoorstel Kwaliteitsborging voor het Bouwen

Al lange tijd hangt het in de lucht, de invoering van de Wet Kwaliteitsborging voor het Bouwen. Met de verzending van het Wetsvoorstel naar de Tweede Kamer op 15 april jl., is de invoering ook daadwerkelijk niet meer ver weg. Het wetsvoorstel heeft grote gevolgen voor de bouwwereld en houdt wijziging in van de Woningwet, Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Omgevingswet. Naar verwachting treedt de nieuwe wet op 1 januari 2017 (gefaseerd) in werking.

Met de invoering komt de kwaliteitsborging te liggen bij de marktpartijen zelf en de overheid zal niet meer inhoudelijk toetsen. Op het moment dat de wet in werking treedt, wordt van de bouwsector verwacht dat zij zelf instrumenten ontwikkelt waarmee de kwaliteit in de bouw wordt getoetst.

Zodra de opdrachtgever de voorbereidingen treft voor een bouwactiviteit, zal deze een bepaald traject doorlopen. Allereerst moet de opdrachtgever bepalen in welke categorie (gevolgklasse) het bouwwerk valt. Nadat de opdrachtgever zelf heeft vastgesteld in welke gevolgklasse zijn bouwwerk valt, kiest hij het instrument dat past bij het bouwproject en de erkende kwaliteitsborger die dit instrument gaat toepassen. Anders dan onder de huidige Nieuwsbrief juni 2016 www.bureau-kennis.net wetgeving, zal de gemeente de aanvraag voor de vergunning niet meer inhoudelijk toetsen en de kwaliteit borgen, maar zal zij enkel toetsen of de opdrachtgever een juist instrument hanteert en gebruik maakt van een erkende kwaliteitsborger.

nieuwsbrief-juni-2016-012

Naast deze (bestuursrechtelijke) wijzigingen, zal ook een aantal artikelen van Boek 7 BW worden gewijzigd. Allereerst wordt aan artikel 7:758 BW een lid toegevoegd, waardoor de aansprakelijkheid van de aannemer in vergaande mate zal worden verruimd. Voor consumenten zal dit van dwingend recht zijn. Bovendien zal een nieuw artikel 7:765a BW worden toegevoegd en dit artikel houdt in dat de aannemer de opdrachtgever dient te informeren over de afgesloten verzekering dan wel een andere financiële zekerheid die door de aannemer is gesteld. Tot slot wordt het huidige opschortingsrecht van de consument (de zogenaamde 5%-regeling) van artikel 7:768 BW verruimd.

Kort en goed gezegd, veel ingrijpende wijzigingen vanaf 2017. Het is dan ook van groot belang dat u zich hiervan op de hoogte stelt en niet voor verrassingen komt te staan. Tijdens de Studiemiddag Kwaliteitsborging zal mr. Kim Schemkes de wijzigingen bespreken en u tips geven hoe u kunt inspelen op deze wijzigingen.

Openbaarheid en geheimhouding in het openbaar bestuur door prof. D.J. Elzinga

Op het eerste oog lijkt het vraagstuk eenvoudig. Openbaarheid is de norm in het openbaar bestuur en slechts bij uitzondering moet iets vertrouwelijk of geheim blijven. In de praktijk is dit echter een van de lastigste vraagstukken in het openbaar bestuur. Want is er eigenlijk een verschil tussen vertrouwelijk en geheim? En als iets het stempel geheim krijgt, mag je dan die informatie wel of niet vertrouwelijk met iemand delen? Wie beslist over de vraag of iets geheim moet blijven en wie kan die geheimhouding weer opheffen? Ook het strafrecht bemoeit zich met de geheimhouding. Maar ook in dat verband zijn er complicaties. Wie doet aangifte? Wat is de rol van burgemeester en griffier? En hoe kan het dat het Tweede Kamerlid Paul Tang – die de Miljoenennota liet lekken – niet is veroordeeld en het Tilburgse raadslid Hans Smolders wel?

De wettelijke regeling inzake geheimhouding en openbaarheid is complex. Het gaat vooral om procedureregels. Over de vraag wat het stempel geheim kan of moet krijgen laat de wetgever zich niet erg uit. Veel behoort tot de autonome sfeer van het openbaar bestuur, waardoor politieke cultuur en omgangsvormen heel vaak beslissend zijn. Het vraagstuk van openbaarheid en geheim heeft dan ook een hoog politiek gehalte. Er zijn veel verschillen tussen de afzonderlijke gemeenten, provincies en waterschappen. En dat roept de vraag op hoe op een fatsoenlijke en effectieve manier met dit vraagstuk kan worden omgegaan.

Er zijn ook dubbelrollen. De burgemeester waakt – samen met de griffier – aan de ene kant er over dat de gemeenteraad over voldoende informatie beschikt, maar de burgemeester is aan de andere kant in het college en als afzonderlijkbestuursorgaan ook zeer betrokken bij de vraag wanneer iets geheim of vertrouwelijk moet blijven. Hoe kunnen deze rollen het beste worden ingevuld?

Raadsleden en ook journalisten hebben nogal eens het gevoel dat te veel informatie geheim blijft. Mag een college informatie achter houden uit vrees dat deze anders door leden van de oppositie wordt gelekt? Informatie is niet altijd volledig. Een bestuurder zal niet erg de neiging hebben om de nadelen van de ingediende voorstellen breed uit te meten. Valt deze selectieve informatie ook onder de categorie geheime informatie?

Een masterclass hieromtrent verzorgd door prof. D.J. Elzinga vindt plaats op donderdag 11 oktober in Arnhem.

Opzet

Na de algemene presentatie wordt met de aanwezigen gedebatteerd over de verschillende aspecten van het vraagstuk. Daarbij ligt een sterke nadruk op de mogelijke betekenis van een geheimhoudingsprotocol. Wat zijn de voordelen van een dergelijk protocol? Hoe kan op die manier de praktijk van openbaarheid en geheimhouding worden verbeterd?