Nieuwsbrief juni 2015

Nieuwsbrief JUNI 2015

bureau-kennis-nieuwsbrief

  • Openbaarheid en geheimhouding in het openbaar bestuur;
  • Actuele juridische kwesties op basis van ‘Belangwekkende uitspraken’ van de RvS.
  • Staatssteun in de decentrale praktijk;
  • Actualisatie van de Mandaat-, volmacht- en machtigingsregeling.

Openbaarheid en geheimhouding in het openbaar bestuur;

Op het eerste oog lijkt het vraagstuk eenvoudig. Openbaarheid is de norm in het openbaar bestuur en slechts bij uitzondering moet iets vertrouwelijk of geheim blijven. In de praktijk is dit echter een van de lastigste vraagstukken in het openbaar bestuur. Want is er eigenlijk een verschil tussen vertrouwelijk en geheim? En als iets het stempel geheim krijgt, mag je dan die informatie wel of niet vertrouwelijk met iemand delen? Wie beslist over de vraag of iets geheim moet blijven en wie kan die geheimhouding weer opheffen? Ook het strafrecht bemoeit zich met de geheimhouding. Maar ook in dat verband zijn er complicaties. Wie doet aangifte? Wat is de rol van burgemeester en griffier? En hoe kan het dat het Tweede Kamerlid Paul Tang – die de Miljoenennota liet lekken – niet is veroordeeld en het Tilburgse raadslid Hans Smolders wel?

De wettelijke regeling inzake geheimhouding en openbaarheid is complex. Het gaat vooral om procedureregels. Over de vraag wat het stempel geheim kan of moet krijgen laat de wetgever zich niet erg uit. Veel behoort tot de autonome sfeer van het openbaar bestuur, waardoor politieke cultuur en omgangsvormen heel vaak beslissend zijn. Het vraagstuk van openbaarheid en geheim heeft dan ook een hoog politiek gehalte. Er zijn veel verschillen tussen de afzonderlijke gemeenten, provincies en waterschappen. En dat roept de vraag op hoe op een fatsoenlijke en effectieve manier met dit vraagstuk kan worden Omgegaan.

Er zijn ook dubbelrollen. De burgemeester waakt – samen met de griffier – aan de ene kant er over dat de gemeenteraad over voldoende informatie beschikt, maar de burgemeester is aan de andere kant in het college en als afzonderlijk bestuursorgaan ook zeer betrokken bij de vraag wanneer iets geheim of vertrouwelijk moet blijven. Hoe kunnen deze rollen het beste worden ingevuld?

Raadsleden en ook journalisten hebben nogal eens het gevoel dat te veel informatie geheim blijft. Mag een college informatie achter houden uit vrees dat deze anders door leden van de oppositie wordt gelekt. Informatie is niet altijd volledig. Een bestuurder zal niet erg de neiging hebben om de nadelen van de ingediende voorstellen breed uit te meten. Valt deze selectieve informatie ook onder de categorie geheime informatie?

Op 8 oktober 2015 organiseren wij een studiemiddag ‘Openbaarheid en geheimhouding in het openbaar bestuur’ met als inleider Prof. mr. Douwe Jan Elzinga. Na de algemene presentatie wordt met de aanwezigen gedebatteerd over de verschillende aspecten van het vraagstuk. Daarbij ligt een sterke nadruk op de mogelijke betekenis van een geheimhoudingsprotocol. Wat zijn de voordelen van een dergelijk protocol? Hoe kan op die manier de praktijk van openbaarheid en geheimhouding worden verbeterd?

Wat is “driedubbel gebakken lucht”? Maakt belofte nu wel of niet schuld? Relavititeitsvereiste en Conclusies…

In het Jaarverslag 2014 van de Raad van State staan – zoals je mag verwachten – “Belangwekkende uitspraken” genoemd. Bovendien worden de zgn. Conclusiezaken van het jaar 2014 vermeld. Waarover hebben we het dan? Weet u het? Zitten we dan op het gebied van het privaatrecht of het bestuursrecht?

De Afdeling Bestuursrechtspraak heeft in 2014 drie maal een “Conclusie” gevraagd aan een Staatsraad Advocaat-generaal. De Afdeling heeft uitspraak gedaan in vier zaken waarin tevoren een conclusie was gevraagd. Deze conclusies hadden betrekking op een poging om tot rechtseenheid en rechtsontwikkeling te komen over: de redelijke termijn, bescherming getuigen, besloten club-en ingezetenencriterium, het begrip bestuursorgaan en het besluitkarakter van reacties op meldingen.

8294366a-b5f8-4437-b51a-3faf79996a5d

zorgtoeslag en kind-gebonden budget. Daarnaast zijn er door de Afdeling belangrijke toepasselijke uitspraken gedaan ov er o.a. misbruik van recht in procedures op grond van de Wet Openbaarheid van bestuur (WOB). Kent u ze? Wat houden ze in?

Een onderwerp / leerstuk dat menige ambtenaar diep aan het denken heeft moeten zetten betreft de toepassing van de “Ladder voor duurzame stedelijke ontwikkeling… een bepaling met een simpele basis in het Besluit ruimtelijke ordening, maar met vele onzekerheden, onduidelijkheden en in korte tijd veel rechterlijke uitspraken met vaak vervelende gevolgen voor het bestuur én een extra beroepsgrond voor burgers en bedrijven die “tegen” een bepaalde (ruimtelijke) ontwikkeling zijn! Hoe hoog moet je op de “Ladder” klimmen om er iets over te weten te komen?

En dan nog het vraagstuk wat een toezegging van een (niet gemandateerde) ambtenaar waard is. Het zgn. belangwekkende vertrouwensbeginsel… Hoewel 99% van alle burgers en bedrijven in eerste, tweede en derde instantie contact hebben met ambtenaren en met deze (cliëntvriendelijke) ambtenaren afspraken maken en – voor hun beleving – harde afspraken maken, blijkt helaas vaak dat een toezegging van diezelfde ambtenaar maar al te vaak “driedubbel gebakken lucht” is. Onbegrijpelijk voor de burgers en bedrijven! Maar wellicht komt er langzamerhand toch meer hoop en duidelijkheid via de rechter! Welke bijzondere omstandigheden kunnen een belangrijke rol daarbij spelen? Hoe is de stand van zaken?

Hoe zit het dan als het gemeentebestuur onjuiste informatie verstrekt. Wie moeten er dan uiteindelijk op de blaren zitten?

Een onderwerp dat nog steeds vragen oproept en voor onaangename verassingen zorgt, is het zgn. relativiteitsvereiste. Regelmatig verschijnen er uitspraken over dit onderwerp ( art. 8:69a Awb). Goede kennis van dit begrip is van groot belang om te weten welk doel en reikwijdte bepaalde wettelijke bepalingen hebben. Wanneer is bijvoorbeeld het algemeen belang van de bescherming van natuur en landschap van belang? In hoeverre heeft bijv. een appellant belang bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn leefomgeving. Geldt dat ook voor zijn buurvrouw? Hangt dat af van de afstand of het hebben van zicht op een bepaald gebied? Wanneer kan en dergelijk betoog leiden tot vernietiging van een besluit?

De (gewijzigde/aangevulde) Crisis- en Herstelwet blijft de aandacht vragen, zelfs nu die economische en financiële crisis voorbij lijkt te zijn… op korte termijn heeft er een ware revolutie in een gedeelte van de wet- en regelgeving plaatsgevonden via de zgn. salamitactiek. Ook deze wet heeft de bestuurders en rechter veel werk bezorgd. Hoe is thans na 5 jaar de laatste stand van zaken?

De claimbewustheid van de burger blijft- terecht of niet terecht – ook de aandacht vragen van de overheid. De burger meent al heel snel recht te hebben op schadeloosstelling of schadevergoeding als de overheid in het algemeen belang een hele groep burgers of bedrijven (vermeend) nadeel berokkent. Welke besluiten kan de overheid nog nemen zonder onevenredige schade toe te brengen? Ligt het zonder meer voor de hand dat als gevolg van de gaswinning in het Noorden van ons land de schade volledig wordt vergoedt? Mag daarbij ook rekening gehouden worden met de daardoor verkregen voordelen? Is een goed risicomanagement van belang

Op twee bijzondere studiedagen zal worden ingegaan op de vele hierboven vermelde onderwerpen c.q. leerstukken en andere dan actuele zaken. U mag zich na deze studiedag wellicht zelf het predicaat “ik ben weer bij” toekennen en u kunt dus weer even tegen een stootje!

f

Staatssteun in de decentrale praktijk

Bij staatssteun denken veel mensen aan miljardeninjecties van de Rijksoverheid voor banken of zachte leningen voor grote bedrijven. Toch is staatssteun meestal veel dichterbij. Het verstrekken van een subsidie, het steunen van de plaatselijke topvoetbalclub door het gemeentebestuur of het vaststellen van een bestemmingsplan. Allemaal situaties waarin de Europese staatssteunregels in de decentrale praktijk een rol spelen. Regels die vaak als lastig worden ervaren en door tegenstanders (politieke oppositie, concurrenten) in stelling kunnen worden gebracht om een project te dwarsbomen.

De recente discussies over gemeentelijke ‘reddingsacties’ voor hun topvoetbalclubs zijn een treffend voorbeeld.

Staatssteun in vele kleuren en smaken

Decentrale overheden zijn op veel manieren financieel of anderszins betrokken bij het doen en laten van marktpartijen. Subsidieverlening, grondtransacties, leningen en garanties zijn bekende voorbeelden. Ook de beleidsterreinen zijn divers. Van ruimtelijke ordening, infrastructuur, cultuur en sport, tot innovatieprojecten, milieu en duurzaamheid. Juist omdat staatssteun een breed begrip is, is niet altijd even duidelijk of sprake is van staatssteun en of deze rechtmatig kan worden verleend. Terwijl ook hier geldt: voorkomen is beter dan genezen! Op het achteraf moeten terugvorderen van onrechtmatig verleende staatssteun zit niemand te wachten. Behalve de tegenstanders van het project misschien.

Systematische aanpak

Is er sprake van staatssteun in mijn project? En, zo ja, kan ik deze staatssteun rechtmatig verstrekken? Wat zijn risico’s en hoe kan ik daar mee omgaan? Wat heb ik aan de recente modernisering van de staatssteunregels door de Europese Commissie? Allemaal vragen die tijdens de studiedagen “Staatssteun in de decentrale praktijk” gestructureerd worden behandeld. Dit aan de hand van vele voorbeelden uit de praktijk en de rechtspraak. Daarbij worden praktische handvatten geboden om zelf een eerste inschatting te kunnen maken van eventuele staatssteunrisico’s en oplossingen.

Resultaten

Na afloop van de studiedag: – Weet je wanneer sprake is van staatssteun en kun je de geldende criteria toepassen;

– Heb je inzicht in de procedurele aspecten (melding, kennisgeving Europese Commissie);

– Begrijp je de verhouding tussen de steun verlenende overheid, de steunontvanger, en de nationale en Europese rechter;

– Ken je de risico’s van onrechtmatige staatssteun;

– Weet je wat je kunt doen om staatssteun rechtmatig te verlenen.

49c104ed-5c3f-46cc-80c6-94c499e1736c

Actualisatie van de Mandaat-, volmacht- en machtigingsregeling

Wat is het juridische kader van de Mandaat-, volmacht- en machtigingsregeling en hoe actualiseer je deze regeling? Het actualiseren van de Mandaat-, volmacht- en machtigingsregeling is een omvangrijke klus. Nadat de noodzaak van een update vast is komen te staan, zijn er veel zaken waarop je moet letten bij de formulering van de bepalingen en de samenstelling van de regeling & bijbehorende mandaatregisters

De redenen voor actualisatie zijn divers. Normaal gesproken is het gewenst dat een mandaatregeling elke 2 à 3 jaar geactualiseerd wordt omdat er nieuwe wetgeving van kracht is geworden. Daarnaast kan er tussentijds vanuit bestuur of management de wens tot ondermandaat ontstaan, waardoor de mandaatregeling bijgewerkt moet worden. Ook kan het gewenst zijn binnen de organisatie een uniforme systematiek van (onder)mandaat te bereiken, die past binnen de juridische omstandigheden en cultuur van jouw organisatie. Doorgaans vragen management of bestuur daarbij om een ambtelijk advies, over hoe dit het beste kan worden aangepakt.

Tijdens de korte middagcursus ‘Actualisatie van de Mandaat-, volmacht- en machtigingregeling’ wordt het formuleren van mandaat-, volmacht- en machtiging vanuit een praktische invalshoek benaderd, zodat je hier meteen verder mee kunt binnen je eigen organisatie.

Vragen hierbij zijn onder andere: Uit welke bestanddelen moet de mandaatregeling in ieder geval bestaan en hoe formuleer ik die? Gaat het om mandaat, volmacht of machtiging en wat houden die begrippen precies in? Wat is een praktische systematiek van (onder)mandaat? Hoe betrek ik andere afdelingen binnen mijn organisatie effectief bij de actualisatie van de mandaatregeling?