Nieuwsbrief februari 2017

Nieuwsbrief FEBRUARI 2017

nieuwsbrief-september-201-000

  • Overheidscontracten;
  • Algemeen bestuursrecht voor niet-juristen;
  • Wat zijn de grenzen van de regelgevende bevoegdheid van gemeenten?
  • Actualiteiten grondzaken;
  • Is de (ver)nieuw(d)e Ladder voor duurzame verstedelijking nu (wel) sterk genoeg?
  • Actualiteiten verzuim binnen de Overheid.

Overheidscontracten

Overheden sluiten voortdurend contracten, zoals ict-contracten, huurovereenkomsten of subsidie-overeenkomsten. Specifieke expertise op het gebied van het maken en beoordelen van contracten is vaak niet of beperkt aanwezig. Een goed contract hoeft niet lang of ingewikkeld te zijn, maar hierover dient in ieder geval goed te zijn nagedacht. In deze masterclass, die uit twee middagen bestaat, leert u op een systematische wijze contracten op te stellen en te beoordelen. U krijgt de relevante juridische kennis aangereikt en belangrijke tips uit de praktijk. Met die kennis bent u in staat om een zo sterk mogelijke juridische positie voor uw (overheids)organisatie te creëren en discussies over de uitleg van een overeenkomst in de toekomst zoveel mogelijk te voorkomen. Voorts leert u wat de juridische mogelijkheden zijn indien er niettemin problemen ontstaan bij de uitvoering van een overeenkomst. In deze masterclass wordt ook aandacht besteed aan de regels die in het bijzonder voor de overheid als contractspartij gelden. 

Male hand presents a contract document
  |
 ||

Tijdens deze masterclass zullen de volgende onderwerpen aan de orde komen:

  • Soorten overheidscontracten;
  • Precontractuele fase, voorbehouden en vertegenwoordiging;
  • De inhoud en het opstellen van een contract;
  • De (niet-)nakoming van een contract;
  • De aantasting en de beëindiging van een overeenkomst.

Algemeen bestuursrecht voor niet-juristen

Iedereen die werkt bij de overheid krijgt met algemeen bestuursrecht te maken. In Nederland regelt de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de verhouding tussen de overheid en burgers, bedrijven en andere organisaties. Basiskennis van de Awb is daarom ook voor niet-juristen werkzaam bij de overheid onmisbaar. En bovendien erg handig. Want de systematische opbouw van de Awb is ook een belangrijk hulpmiddel en houvast in het dagelijkse werk van beleidsmedewerkers, vergunningverleners, (plan)toetsers, handhavers, subsidieverleners en anderen die communiceren met partijen buiten

de overheid.

Een burger schrijft de gemeente een brief en vraagt om planologische medewerking voor de bouw van een nieuwe woning. Een bedrijf mailt de provincie met de vraag om vanwege overlast bomen te snoeien langs de provinciale weg. Een toezichthouder wil tijdens een bedrijfscontrole bepaalde documenten meenemen. In deze en vergelijkbare situaties is het belangrijk te weten hoe het juridisch zit. Is er sprake van een aanvraag? Is de reactie daarop een besluit waarbij rechtsbescherming (mogelijkheid bezwaar/beroep) geldt? Wie mag waarover beslissen? Hoe zit het met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur? Wat mag een toezichthouder eigenlijk? Dit soort vragen en uiteraard de antwoorden daarop staan centraal tijdens deze studiedag voor niet-juristen. Aan de hand van actuele voorbeelden uit de rechtspraak vertalen we de Awb naar de concrete, dagelijkse praktijk van niet-juristen bij de overheid!

Wat zijn de grenzen van de regelgevende bevoegdheid van gemeenten?

Gemeentelijke verordeningen werken in principe binnen de territoriale grenzen van de gemeente, zoals deze af te leiden zijn uit het kadaster. Dit wordt ook wel de ‘zijgrens’ van verordeningen genoemd. Daarnaast kunnen in een verordening alleen zaken geregeld worden die tot de ‘huishouding’  van de gemeente behoren. Dit is neergelegd in artikel 124 van de Grondwet en artikel 108 van de  Gemeentewet.  Dit houdt in dat de gemeenteraad zich niet mag mengen in zaken die tot het particuliere domein behoren en een verordening dus over openbare belangen moet gaan. In de praktijk levert deze zogenaamde ‘ondergrens’ relatief weinig problemen op.

Ook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur begrenzen de verordenende bevoegdheid van de gemeente. Deze beginselen zijn gedeeltelijk neergelegd in Hoofdstuk 3 van de Algemene wet bestuursrecht. Naast de bovenstaande grenzen is er een begrenzing die in de praktijk meer vragen oproept. Dit is de zogenaamde ‘bovengrens’ van een verordening. In dat kader kan men situaties onderscheiden waarin er sprake is van een anterieure of een posterieure verordening.

In het eerste geval, bij een anterieure verordening, gaat het om een bestaande verordening met een bepaald ‘onderwerp’, over welk onderwerp op een later moment een hogere regeling wordt vastgesteld. Artikel 122 van de Gemeentewet bepaalt daarover dat zo’n verordening dan van rechtswege vervalt. Tenzij in de hogere regeling een conflictregeling staat, die bepaalt dat de verordening toch in werking kan blijven.

Om te bepalen of het onderwerp van de hogere en lagere regeling hetzelfde is, kijkt de rechter onder andere naar het motief van de regelingen en de belangen die de regelingen beogen te behartigen. In het tweede geval, bij een posterieure verordening, gaat het om de situatie waarin de gemeenteraad een hogere regeling aanvult door middel van een verordening over hetzelfde onderwerp. Dit is toegestaan op basis van artikel 121 van de Gemeentewet.

Bij deze posterieure verordening is het noodzakelijk om te bepalen of de hogere regeling wel of niet uitputtend bedoeld is. Wanneer de formele wetgever een onderwerp niet geregeld heeft, betekent dat niet automatisch dat er dus een aanvullende bevoegdheid is om verordeningen vast te stellen. Want wellicht heeft de wetgever een onderwerp expres niet geregeld. 

Om te bepalen of een regeling uitputtend bedoeld is, kijkt de rechter onder meer naar de structuur van de hogere regeling en het motief van de regeling in het licht van de parlementaire geschiedenis. Is eenmaal vastgesteld dat een hogere regeling niet uitputtend bedoeld is, dan zal de gemeente vervolgens moeten zorgen dat het achterliggende motief van de hogere regeling niet wordt gefrustreerd met de lagere regeling. En op die manier de hogere regeling dus wordt doorkruist.

Pile of File Folders --- Image by © Royalty-Free/Corbis

|

Een voorbeeld van de bovengrens bij een posterieure gemeentelijke verordening is het arrest van de Rechtbank Den Haag van 10 oktober 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:12168). Op grond van artikel 5:12 van de APV van

de gemeente Den Haag is het verboden fietsen te stallen buiten de daarvoor bestemde parkeervoorziening. De fiets van de eiseres in deze zaak  was gestald op een plek waar een parkeerverbod gold. Bij het ophalen van de fiets van eiseres, gaf de daar aanwezige toezichthouder aan dat haar fiets was verwijderd en er een last onder bestuursdwang was opgelegd. 

Eiseres beriep zich in rechte erop, dat het artikel in de  APV in strijd is met de eerder vastgestelde Wegenverkeerswet 1994 (WvW)en het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV) en dat de APV daarom als posterieure verordening onverbindend is, omdat aan de WvW en RVV hetzelfde motief ten grondslag ligt als de APV.  Het motief van het verbod in de APV is het tegengaan van verrommeling door het excessief aantal geparkeerde fietsen rondom het Centraal Station en het voorkomen van hinder en schade door in de loopweg van voetgangers staande fietsen. Dit motief stemt overeen met het motief van de WvW.

De rechtbank oordeelt vervolgens dat het motief van het artikel uit de APV weliswaar overeenkomt met die in de WvW en RVV,  maar dat de APV deze regelingen niet doorkruist, onder meer omdat uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat gemeenten de WvW kunnen aanvullen om excessief parkeergedrag, waaronder het plaatsen van fietsen, tegen te gaan.

De rechtbank oordeelt ten slotte dat de APV om die reden niet onverbindend is. Het beroep van eiseres is ongegrond.

Wij organiseren de cursus ‘Het maken en toetsen van verordeningen en beleidsregels’ op verschillende locaties in het land.

|

Actualiteiten grondzaken

Vastgoedtransacties, overeenkomsten over grondexploitaties en grondbeleid zijn interessante en dynamische onderwerpen. Ook vanuit juridische optiek valt hierover het nodige te melden. Tijdens de door ons georganiseerde actualiteitenmiddag Grondzaken gaan we aan de hand van actuele voorbeelden uit de rechtspraak in op de dagelijkse grondzakenpraktijk. Welke interessante uitspraken heeft de rechter recent gedaan over vastgoedtransacties? En welke over de grondexploitatiewet? Ook samenwerking bij gebieds- en locatieontwikkeling en de toepassing van de staatssteunregels zijn vaste ingrediënten voor een actualiteitenmiddag over Grondzaken.

|

|

grond

Is / Wordt de (ver)nieuw(d)e Ladder voor duurzame verstedelijking nu (wel) sterk genoeg om een bestemmingsplan of omgevingsplan tot een goed einde te brengen?

Wie durft er anno 2017 nog te zeggen dat hij/zij nog nooit gehoord heeft van de Ladder voor duurzame verstedelijking (LDV)? Dat zou wel verbazen want hoe lang wordt er al niet geschreven en gesproken over het feit dat we zorgvuldig moeten omgaan met de schaarse beschikbare ruimte om woningen te bouwen en wegen aan te leggen?

In dat licht is in 2012 de LDV geïntroduceerd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte – de visie van het Rijk op het gebied van de mobiliteit, bereikbaarheid, ruimte en leefbaarheid – en heeft de LDV betrekking op het grote belang van een zorgvuldige afweging en transparantie bij ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dat is gemakkelijk gezegd maar de praktijk is weerbarstig en gewoonweg moeilijk gebleken. Vraag het de gemeentebesturen en hun medewerk(st)ers…

Op 1 oktober werd de LDV vastgelegd als motiveringsvereiste in de Toelichting bij de ruimtelijke plannen (art. 3.1.6, lid2 Besluit Ruimtelijke Ordening). Het is te beschouwen als een nader aanvulling op het zorgvuldigheidsvereiste van art. 3:2 Awb.

We zijn thans bijna 5 jaar verder en gebleken is dat de Ladder reikt tot zeer grote hoogte…  en van een hoge trap kun je diep vallen. Vele ruimtelijke besluiten zijn “van de trap gevallen” en de Ladder is “wiebelig“ gebleken en wordt vaak gebruikt als extra beroepsgrond met de gedachte: “niet geschoten, is altijd mis”. Er zijn al die jaren vele rechterlijke uitspraken nodig geweest om enigszins meer duidelijkheid te krijgen over de reikwijdte en de inhoud van de begrippen van de Ladder, zoals b.v. het relativiteitsvereiste van art. 8:69a Awb  stond niet in de weg aan een beroep op schending van de Ladder, indien het belang ligt in het behoud van een goed woon-en leefklimaat én ook stichtingen en verenigingen kunnen een beroep doen op de Ladder in verband met het door hen gewenste en voorkomen van (al dan niet vermeende) ongewenste planologische ontwikkeling en leegstand. Concurrenten meenden vaak  voldoende argumenten te hebben met de Ladder om “collega’s te bestrijden door een beroep op de Ladder”. Zeker niet altijd zonder succes. Maar zelfs in een groot bos van ruimtelijke en infrastructurele besluiten blijkt de Ladder toch regelmatig bij het “beklimmen” aan de te hoge maar soms ook aan de te lage kant te zijn. Er is dan ook alle aanleiding om na te gaan hoe de ideale en gewenste Ladder  moet c.q. had moeten zijn . Moet er een andere Ladder komen of kan worden volstaan met een versteviging of aanpassing? Er blijven nog genoeg vragen over.

Het is de bedoeling tijdens de door ons georganiseerde studiemiddag terug te kijken op de periode 2012-2016 en met gebruik van de elementen van de LDV 2012 na te gaan of de Ladder 2017 vele direct betrokken meer duidelijk geeft en blij maakt.

Actualiteiten verzuim binnen de Overheid

Inzetbaarheid verbeteren door actieve verzuimregie

De impact van ziekteverzuim op organisaties is groot. Het beperkt de inzetbaarheid van medewerkers en de bijgaande kosten ervan kunnen fors oplopen. Verzuim vormt een belangrijk risico voor de inzetbaarheid van organisaties. Het effectief managen van dit risico is dus uitermate lonend! Deze workshop introduceert een nieuwe integrale manier van verzuimregie met praktische handvatten om te komen tot betere reductie en preventie.

Het verzuim bij de overheid is traditioneel hoger dan in menig andere sector. Daar zijn veel verklaringen voor te geven, maar geen excuses. De overheid werkt met gemeenschapsgeld en zou een voorbeeldfunctie moeten vervullen in regievoering op de kosten van verzuim.  

In de afgelopen jaren zijn de kosten van verzuim naar de werkgever verschoven. Deze trend zal zich de komende jaren toenemend voortzetten. Zo leiden veranderingen in de sociale zekerheid ertoe dat het UWV ook

zieke

de historische schadelast in rekening zal gaan brengen. Eigen risicodragers (ERD) zoals gemeenten en andere overheidsinstellingen, zullen zich geconfronteerd zien met toenemende eisen die verzekeraars stellen aan de wijze waarop zij het risicomanagementproces hebben ingericht. Maar gaat ook zeker gelden voor thema’s als preventie en duurzame inzetbaarheid!

De door ons georganiseerde workshop helpt HR-functionarissen zich steviger te positioneren in het managen van het verzuimrisico. We geven u een beter inzicht te krijgen in het wettelijk kader, het verzuimgedrag en in alle verzuimkosten, die vaak niet zo zichtbaar zijn. Daarbij wordt HR analytics geïntroduceerd voor verzuim: een actueel thema. U krijgt concrete handvatten aangereikt voor de wijze waarop een HR afdeling beter kan sturen op verzuim, waarbij een nieuw model van verzuimregie het uitgangspunt is. We nemen praktisch met u door hoe u stuurt vanuit cultuur, processen en preventie, de deskundigen die u inzet en de informatie die u hierbij gebruikt.

In deze workshop werkt u met een concrete casus. Door voorafgaand aan de workshop een vragenlijst in te vullen kunnen we u ook tijdens de workshop adviseren over praktische verbeteringen die direct bij u toepasbaar zijn!

Het resultaat is inzicht en bewustwording om actiever verzuimregie te voeren. Daarmee legt u de basis voor lagere verzuimkosten en betere inzetbaarheid van medewerkers. We voorzien u van best practices en een adequaat risicomanagementmodel.