Nieuwsbrief april 2017

Nieuwsbrief APRIL 2017

nieuwsbrief-september-201-000

  • Burgerparticipatie: kansen en valkuilen;
  • Een actuele kijk op juridische kwaliteitszorg;
  • Bestuursrechtelijke actualiteiten: is een bestuursrechtelijke ‘Opfrisdag’ niet noodzakelijk? 
  • Subsidierecht in de praktijk;
  • Uw vth-taken (vergunningverlening, toezicht en handhaving)  ‘toekomstproof’?

Burgerparticipatie: kansen en valkuilen

De Omgevingswet maakt iedereen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Burgers en bedrijven krijgen veel ruimte voor activiteiten als zij bereid zijn ook verantwoordelijkheid te nemen voor de fysieke leefomgeving. Dat kan een individuele of collectieve verantwoordelijkheid zijn. Ook kunnen zij als belanghebbenden bij besluiten zijn betrokken. Bedrijven krijgen met de Omgevingswet te maken, omdat zij het initiatief nemen voor activiteiten en dus ‘gebruiksruimte’ nodig hebben. Bedrijven veroorzaken soms problemen in de fysieke leefomgeving, maar kunnen dat vaak ook weer oplossen.

Er is een trend naar maatschappelijk verantwoord ondernemen en die strekt zich ook uit naar de fysieke leefomgeving. De Omgevingswet vraagt bovendien van initiatiefnemers om zelf te peilen wat omwonenden ervan vinden voordat een aanvraag wordt ingediend. Initiatiefnemers worden bovendien opgeroepen om samen te werken met andere initiatiefnemers in een gebied om zo – samen met anderen – een bijdrage te leveren aan de verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Dit wordt «geregisseerde eigen verantwoordelijkheid» genoemd en is een invulling van het vertrouwen dat de wetgever wil hebben in initiatiefnemers.

samenwerken
  |
 ||

Er zou ook vertrouwen moeten zijn van burgers in de overheid. Dat lijkt een beetje zoek. Vroegtijdige burgerparticipatie, betere besluitvorming over projecten, inzichtelijker procedures, duidelijke regels en beter beschikbare informatie over de fysieke leefomgeving moeten bijdragen aan het herstel van het vertrouwen. De burger kan dan immers beter begrijpen waarom en hoe keuzes worden gemaakt. Dat vereist wel dat de informatie wordt aangeboden op een volledige, objectieve en voor burgers begrijpelijke manier. Dat betekent dat er toegankelijke informatie moet zijn op het juiste moment.

Er zit dus een bepaalde filosofie achter de Omgevingswet, die niet direct in de wettekst is terug te vinden, maar wel van belang is om de doelen van de wet te halen. Die filosofie houdt ook een tamelijk idealistische kijk in op de mogelijkheden van burgerparticipatie. Dit vraagt het nodige van processen, werkwijzen en aanpak. Omgekeerd zullen burgers en bedrijven ook moeten gaan bewegen.

Hoe krijgen we dat voor elkaar? Gelet op de praktijk van alledag is dat een terechte vraag. Is het eigenlijk wel haalbaar? Veel burgers gaan vooral voor ‘eigen oprit eerst’. Veel initiatiefnemers zijn kampioen in het opzoeken van grenswaarden. En hoe weet je nu of je niet vooral de schreeuwende minderheid hoort? Wie vertegenwoordigt die vereniging eigenlijk? Kunnen initiatiefnemers wel burgerparticipatie organiseren? En als dat zo is, is dat wel verstandig of kan de overheid toch beter de regie in eigen hand houden? Hoe krijg je burgers betrokken bij abstracte visies? Hoe voorkom je dat je achteraf het verwijt krijgt van salamitactiek? En wat is de rol van de volksvertegenwoordiging nog? Kan de gemeenteraad nog ‘nee’ zeggen?

Er zijn veel voorbeelden van experimenten op dit gebied. Veel gaat goed. Veel ook niet goed. Heel veel moet nog uitgeprobeerd en ontdekt worden. Het is een leerproces. De door ons georganiseerde studiemiddag ‘Burgerparticipatie onder de Omgevingswet’ bestaat deels uit kennisoverdracht en wordt deels benut om interactief met elkaar te verkennen waar de risico’s liggen en hoe je hierop kunt inspelen.

Aan het einde van de middag weet u wat er in de toekomst van u verwacht wordt, kent u de filosofie, de begrippen en het systeem van de wet en heeft u de nodige inspiratie opgedaan om met burgerparticipatie en geregisseerde eigen verantwoordelijkheid aan de slag te gaan. Morgen al.

Een actuele kijk op juridische kwaliteitszorg

Juridische kwaliteitszorg is bij veel overheden een belangrijk aspect van de bedrijfsvoering. Een goede sturing op kwaliteit leidt tot het benoemen, het beheersbaar maken en het voorkomen van risico’s. Dit brengt ook een kostenbesparing met zich mee. Helaas is het soms lastig om juridische kwaliteitszorg op een effectieve manier te implementeren.

Bureau Kennis heeft daarom de cursus Juridische kwaliteitszorg ontwikkeld. Deze is gericht op juridisch adviseurs en beleidsmedewerkers van gemeenten, provincies, waterschappen en zelfstandige bestuursorganen, zoals Regionale Uitvoeringsdiensten en Veiligheidsregio’s. De cursus gaat over het toepassen van kwaliteitszorg in het actuele werk van overheidsjuristen, zoals het realiseren van een uniforme kwaliteit bij regelgeving, contracten, mandaat, klachten en Wob-verzoeken.

Praktische insteek als uitgangspunt

Tijdens de cursus leer je welke onderdelen uit je takenpakket gebruikt kunnen worden om juridische kwaliteit binnen de organisatie snel en professioneel handen en voeten te geven. Daarnaast reikt de cursus formats aan om het uitvoeren van kwaliteitszorg ook daadwerkelijk te realiseren. Dit zonder dat je persé een omvangrijk kwaliteitsonderzoek hoeft te doen waar het budget en draagvlak vaak voor ontbreekt. Bij het verbeteren van de juridische kwaliteit is het daarnaast belangrijk dat je erin slaagt om management en medewerkers mee te nemen in de verbeterplannen.

Kwaliteitszorg bij regionale samenwerking

Bij (het verkennen van) samenwerkingsplannen met andere organisaties kun je met de methodes die de cursus aanreikt op relatief eenvoudige wijze in kaart brengen hoe het over en weer gesteld is met verschillende aandachtsvelden voor juridische kwaliteit. Deze methodes zijn uiteraard ook toepasbaar op de beleidsterreinen binnen de eigen organisatie.

‘Better safe than sorry’

Het vooraf ontdekken van risico’s op specifieke beleidsvelden binnen de organisatie en daar actie op ondernemen, levert een grote effectiviteitswinst op in je dagelijks werk. Het zorgt ervoor dat je minder te maken krijgt met herstelwerk en haastklussen. Ook kan het ertoe leiden dat het aantal bezwaarschriften, klachten en ingebrekestellingen afneemt.

|

|

Pile of File Folders --- Image by © Royalty-Free/Corbis

Bestuursrechtelijke actualiteiten: is een bestuursrechtelijke ‘opfrisdag’ niet noodzakelijk?

In “bestuursrechtland” is het nog steeds een woelige en onzekere tijd:  het is steeds moeilijker om op de vele vragen, die tijdens je werkzaamheden op je af komen, een passend  en juist antwoord te hebben en te kunnen geven. Welk antwoord geef je als adviseur van de burgemeester  b.v. op de vraag of hij tot sluiting van een pand voor een bepaalde periode moet en kan overgaan als in een pand een beperkt aantal hennepplanten is ontdekt en daarna blijkt dat de huurder  via een makelaar een contract voor een autobedrijf heeft afgesloten én de enige maanden in het buitenland verblijvende eigenaar- die een zaakwaarnemer heeft ingeschakeld- na 6 weken te weten komt dat er geen auto’s worden gerepareerd maar wel hennepplanten worden gekweekt  in enkele in de verhuurde garage staande gesloten aanhangwagens. De eigenaar komt met spoed per vliegtuig terug uit het buitenland en vraagt de politie

het pand met hem te betreden. De politie weigert dit, maar enkele dagen later betreedt de politie het betreffende pand en treft 80 hennepplanten aan en meldt dit aan de burgemeester. De burgemeester verstuurt een voornemen tot sluiting voor en periode van 6 maanden. Deze brief bereikt echter niet de zaakwaarnemer van de eigenaar maar wordt terugbezorgd bij de burgemeester. De burgemeester vervolgens legt een last onder bestuursdwang op: sluiting van het pand voor 6 maanden. De eigenaar leidt een schade van € 6000,– aan huurinkomsten.

Welke bestuursrechtelijke vragen komen uit deze casus te voorschijn ? Diverse vragen o.a. met betrekking tot de rol van de makelaar, de huurder, de eigenaar, de contacten van de zaakwaarnemer met de politie, de weigering van de politie om medewerking, alsmede de toetsing van de burgemeester ten opzichte van een niet verkregen zienswijze van de zaakwaarnemer of eigenaar; bovendien welke rechtsbeschermingsmogelijkheden heeft in zo’n casus de eigenaar? Welke rechters kunnen ingeschakeld worden? Moeten de beleidsregels daarbij onverkort toegepast worden? Spelen daarbij algemene rechtsbeginselen of algemene beginselen van bestuur nog een rol en welke actuele jurisprudentie  is van toepassing?

Diverse gemeenten worden in de dagelijkse praktijk nog vaak geconfronteerd met aanvragen voor een omgevingsvergunning voor een grootschalige bouwmarkten c.q. tuincentrum . Hierbij worden- voor een zo ruim mogelijk beroep op het bestuursrecht en zelfs privaatrecht- vele advocaten ingeschakeld enerzijds om te zorgen dat er een omgevingsvergunning  wordt verleend, anderzijds wordt van vele advocaten en adviseurs verwacht dat zij de totstandkoming van een omgevingsvergunning voor een dergelijk project voorkomen c.q. de totstandkoming daarvan traineren met allerlei procedures. Van de ambtelijke adviseur wordt verwacht dat hij/zij een perfecte vergunning aanlevert zodat het college met een gerust hart de vergunning kan verlenen of  weigeren. Is het reëel te verwachten dat ambtenaren daartoe alle kennis en kunde bezitten en dat juist in een periode dat de Wet ruimtelijke ordening nog steeds van toepassing is, de wet algemene bepalingen omgevingsrecht nog nauwelijks goed bekend is en veel jurisprudentie oplevert en er ook volop gewerkt moet worden aan de voorbereiding van de Omgevingswet? Voeg daaraan nog toe hoe het zit  met de aansprakelijkheid bij vernietiging van een dergelijke vergunning ? U mag zelf het antwoord geven…

Raad-van-State2

|

Betrek daar nog bij dat onderwerpen zoals de (onduidelijke)Ladder voor duurzame verstedelijking  en de komende wijziging daarvan, de gewijzigde wet openbaarheid van bestuur (WOB) en de in voorbereiding zijnde wet open overheid (WOO), het relativiteitsvereiste en correctie daarop, de voorwaardelijke verplichting, de parkeernormen, allerlei handhavingsperikelen, nadeelcompensatie, planschade, de toepassing van het vertrouwensbeginsel en het toenemende aantal outletcentra, de hypermarkt,  de woningbouw in krimpgebieden, de alsmaar grotere mogelijkheden die de Crisis-en Herstelwet biedt, de bij velen nog steeds onbekende  omvang en reikwijdte van allerlei bekende begrippen van de Algemene wet bestuursrecht en… de vraag rijst wie dit allemaal nog op een verantwoorde en juiste wijze in de praktijk  kan toepassen. Daarnaast blijkt o.a. uit het Jaarverslag 2016 van de Raad van State dat aanscherping van het beleid en verzwaring en intensievere toetsing van boetes, de toetsing van beleidsregels bij bijzondere omstandigheden om actuele kennis daarvan vragen.  Ook blijkt dat bestuursrechters – meer dan ooit – bereid zijn hun uitspraken aan te passen en “om” te gaan.

Het is de bedoeling dat de cursisten op het terrein van het algemeen bestuur en omgevingsrecht na de door ons georganiseerde masterclass weer voldoende bewapend zijn om met een gerust gemoed de “bestuurlijke toekomst” tegemoet te kunnen zien. De hierboven vermelde onderwerpen zullen dan uitgebreid aan bod komen en er zal voldoende ruimte voor discussie en het stellen van vragen zijn.

Subsidierecht in de praktijk

Het verlenen van subsidies is nog steeds één van de belangrijkste middelen om beleid te effectueren. Door het verstrekken van subsidies kan immers bereikt worden dat activiteiten door derden worden uitgevoerd die een maatschappelijk doel dienen.

Het subsidierecht is het juridische middel voor het verstrekken van subsidies. Dit recht is vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht en in verschillende algemene en bijzondere subsidieverordening van overheden.

De uitvoering van het subsidierecht roept in de praktijk veel vragen op, zoals hoe verlopen de verschillende aanvraagprocedures? Kan een langlopende subsidierelatie worden beëindigd? Moet er worden aanbesteed? Wanneer is er sprake van subsidie en wanneer van een opdracht? Hoe staat het met staatssteun?

De ééndaagse cursus Subsidierecht in de praktijk geeft inzicht in het subsidierecht en geeft antwoorden op de vragen die in de praktijk gesteld worden. Aan de hand van praktijkvragen en jurisprudentie worden de subsidiebepalingen van de Algemene wet bestuursrecht en de Model-Algemene subsidieverordening behandeld. Onderwerpen die aan de orde komen zijn:

  • De Awb, de Asv en beleidsregels;
  • Soorten subsidies;
  • Beheersinstrumenten;
  • Subsidieaanvraag en -verlening;
  • Subsidievaststelling;
  • Intrekking en wijziging;
  • Betaling en terugvordering.

Uw vth-taken (vergunningverlening, toezicht en handhaving) ‘subsidieproof’?

Een aanpak voor de afweging of de uitvoering van de bouw- en woningtoezichttaken nog in voldoende mate aansluiten bij de nieuwe ontwikkelingen

Nieuwe wetgeving, betere dienstverlening en toenemende complexiteit van bouwregelgeving stellen steeds hogere eisen aan organisatie en medewerkers van vergunningverlening, toezicht en handhaving (vth). Daarnaast vragen steeds meer gemeenten zich af of ze vth-taken nog wel zelf willen uitvoeren of dat samenwerking met bijvoorbeeld andere gemeenten of het onderbrengen bij een Omgevingsdienst niet beter past bij een gemeente die zich steeds meer wil concentreren op de regie van uitvoeringstaken. Deze ontwikkelingen vragen om een brede afweging vanuit bestuurlijk en organisatorisch oogpunt. 

Regie op of zelf uitvoeren van vth-taken?

De geplande studiedag heeft als doel om bestuurders en managers te informeren over de voor- en nadelen van zelf blijven doen en uitplaatsen van vth-taken, vooral in het licht van toekomstige ontwikkelingen. Hierbij wordt “van buiten naar binnen” gekeken vanuit de vraag: Welke (toekomstige) eisen stellen wetgever, bestuur, management, samenleving en medewerkers aan dit taakveld? Aan het einde van het seminar nemen de deelnemers voldoende bagage mee naar huis om in hun eigen bestuurlijke en ambtelijke omgeving een passende afweging te maken. Ook is er goed totaalbeeld van de impact en omvang van het uitplaatsingsproces.

Praktijkgericht

Er worden de concrete ervaringen uit de praktijk van een afgerond uitplaatsingsproces gebruikt. Niet om vanuit die ervaringen een “blauwdruk” mee te geven. Wel om met elkaar de kansen, risico’s en valkuilen te benoemen.