Handhavingsrechtspraak van ABRS

Handhavingsrechtspraak van ABRS

 

Voor het opleggen van herstelsancties bevat Hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een aantal bepalingen. Deze bevatten definities, bepalingen over de toezichthouder, over de lasten onder bestuursdwang en dwangsom en over de bestuurlijke boete. Artikel 125 Gemeentewet bepaalt al sinds jaar en dag dat college en burgemeester de gemeentelijke handhavingsorganen zijn. Burgers en bedrijven die aldus met een handhavend gemeentebestuur werden geconfronteerd hadden echter geen enkele specifieke wettelijke bepaling om op terug te vallen als zij meenden dat er ten onrechte werd gehandhaafd. Via een aantal algemene beginselen van behoorlijk bestuur echter bood de bestuursrechter de gevraagde rechtsbescherming. Dit had tot gevolg dat het bestuurlijk handhavingsrecht voor een heel belangrijk deel werd ontwikkeld in de rechtspraak. De rechtspraak, onder aanvoering van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State, gaat onverminderd door met het verder ontwikkelen van handhavingsrecht. Belangrijke leerstukken en praktijkvragen worden (nog steeds) in de rechtspraak ontwikkeld en vorm gegeven. Met het volgen van deze studiemiddag bent u weer helemaal bij! De deelnemers ontvangen bij aanvang van de cursus een syllabus. Daarin zitten de powerpoint presentatie, een overdruk van relevante wetsartikelen, achtergrondinformatie en actuele en relevante rechtspraak.

 

Voor wie:

Deze cursus is bedoeld voor juristen en (juridisch) beleidsmedewerkers die betrokken zijn bij handhaving en werkzaam zijn bij provincies en gemeenten.

 

De te behandelen onderwerpen:

  • Bepalingen voor het opleggen van herstelsancties uit hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb);
  • Handhavingsbepalingen in de Awb;
  • De beginselplicht tot handhaving, waarbij soms van handhaving kan worden afgezien, bijvoorbeeld in geval de overtreding van geringe omvang of ernst is;
  • Wanneer kan (niet) van handhaving worden afgezien als er concreet zicht is op legalisatie;
  • De lengte van de zogeheten ā€œbegunstigingstermijn, waarbij verlenging niet aan de orde is als de termijn voorbij is;
  • De invordering van de verbeurde dwangsom, waarvoor (ook) een beginselplicht is geformuleerd en waaraan een deugdelijke constatering vooraf moet gaan, die echter niet in alle gevallen even omvangrijk behoeft te zijn;
  • De opschorting van de invordering van een verbeurde dwangsom, en welke betekenis dit heeft voor de verjaring van de bevoegdheid tot invordering;
  • Andere recente relevante jurisprudentie;
  • Door deelnemers in te brengen praktijkvragen.